ABRvS 14 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ2599
Bij brief van 28 december 2010 heeft de voorzitter van de Afdeling de minister drie vragen gesteld en hem verzocht bij de behandeling van de zaak ter zitting op deze vragen in te gaan. Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister verklaard dat, naar aanleiding van de door de Afdeling gestelde vragen, nader onderzoek is gedaan naar de beslispraktijk in gelijksoortige zaken en dat daaruit is gebleken dat inkomsten uit een uitkering krachtens de Ziektewet wat betreft de periode van drie jaar voorafgaande aan de aanvraag wél als middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.75, derde lid van het Vb 2000 worden aangemerkt. Een dergelijke uitkering wordt in de beslispraktijk echter niet betrokken in de beoordeling of de middelen van bestaan nog gedurende zes maanden beschikbaar zijn. Gelet hierop heeft de minister ter zitting het standpunt ingenomen dat de vreemdeling weliswaar voldoet aan de eis dat hij drie jaar voorafgaand aan zijn aanvraag middelen van bestaan in de zin van voormelde bepaling heeft verworven, maar dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog zes maanden dergelijke inkomsten in het vooruitzicht had. Gelet op het voorgaande kan de in de grief voorgedragen klacht, wat daar verder ook van zij, niet tot het ermee beoogde doel leiden, reeds omdat de minister zijn in het besluit van 12 maart 2009 vervatte standpunt dat de vreemdeling niet drie jaar voorafgaand aan zijn aanvraag middelen van bestaan in de zin van voormelde bepaling heeft verworven, niet langer handhaaft. Gelet hierop dient het oordeel van de rechtbank dat in dit besluit onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd dat de vreemdeling niet voldoet aan het middelenvereiste, te worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl