ABRvS 21 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9273
Niet in geschil is dat de driemaandentermijn waarbinnen de aanvraag door [aanvrager] ten behoeve van de vreemdeling moest worden ingediend op 22 januari 2008 is geëindigd. Evenmin is in geschil dat de aanvraag blijkens het poststempel op de envelop op 23 januari 2008 ter post is bezorgd en op 24 januari 2008 door de Visadienst is ontvangen. Mitsdien is de aanvraag buiten de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, genoemde nareistermijn door [aanvrager] bij de Visadienst ingediend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juni 2006 in zaak nr. 200509794/1; www.raadvanstate.nl) is de reikwijdte van de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000 geregelde toelatingsgronden, gelet op het bijzondere karakter van deze bepalingen en de inbreuk die daarmee op de algemene systematiek van de Vw 2000 is gemaakt, beperkt. Voorts is de in die bepalingen opgenomen nareistermijn een wettelijk vereiste waaraan dient te worden voldaan om op de voet van die bepalingen in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Voor zover in het in 2.2.1 vermelde beleid is opgenomen dat de indiening van een aanvraag tot verlening van een mvv, gelet op dit vereiste, geldt als een tijdig ingediende aanvraag, is dit een nadere invulling en in zoverre een versoepeling ten gunste van de nareizende vreemdeling, van dit wettelijk vereiste. Nu artikel 29, eerste lid, aanhef, en onder e en f, van de Vw 2000, mede gelet op de beperkte reikwijdte van deze bepalingen, geen grond biedt voor een verdergaande versoepeling van de nareistermijn, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat er geen ruimte is voor analoge toepassing van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
De uitspraak op rechtspraak.nl