ABRvS 28 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6851

De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf bij partner' terecht met terugwerkende kracht tot 2 mei 2008 heeft ingetrokken. Voorts heeft de rechtbank onbestreden overwogen dat de ingangsdatum van deze verblijfsvergunning op 11 mei 2005 in rechte vast staat, nu de vreemdeling hiertegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend en de vreemdeling derhalve niet voldoet aan de termijn van drie jaar, zoals bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. Gelet hierop is niet langer in geschil dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning met toepassing van voormeld artikel 3.51. De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat de omstandigheid dat de vreemdeling reeds op 27 april 2005 met een geldige mvv Nederland is ingereisd, maar wegens administratieve formaliteiten eerst op 11 mei 2005 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft kunnen indienen de aan die verblijfsvergunning verbonden ingangsdatum betreft en niet de toepassing van artikel 3.52 van het Vb 2000. Reeds hierom heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voormelde omstandigheid geen bijzondere individuele omstandigheid vormt die ingevolge artikel 3.52 van het Vb 2000 aanleiding kon geven voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ten behoeve van voortgezet verblijf.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen