ABRvS 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4329

Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest in de zaak T.I. en W.S. Ebrahim tegen Nederland van 18 maart 2003, JV 2003/203) dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval de positieve verplichting met zich brengt een vreemdeling in staat te stellen tot familie- en gezinsleven in een bepaalde lidstaat, een "fair balance" te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het betrokken algemeen belang van de lidstaat. Bij deze afweging komt de desbetreffende lidstaat (lees: de minister) een zekere beoordelingsruimte toe. Aldus heeft de minister ook bij het bepalen van de ingangsdatum van een krachtens voormelde verdragsbepaling te verlenen verblijfsvergunning een zekere beoordelingsruimte. Nu, zoals de minister ter zitting bij de rechtbank naar voren heeft gebracht, bij het bereiken van de meerderjarigheid van de dochter een nieuw beoordelingsmoment ontstaat, bestaat, mede gelet op de hiervoor vermelde bepalingen van het Vb 2000, geen grond voor het oordeel dat hij de geldigheidsduur van de verleende vergunning niet in redelijkheid heeft kunnen beperken tot 19 november 2010.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen