ABRvS 26 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2529
Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt dat de vreemdeling nimmer arbeid heeft verricht en blijkt evenmin dat zij daartoe voornemens is geweest. In grief 1 heeft de vreemdeling de vaststelling van de rechtbank in de door deze grief aangevallen overweging dat zij niet heeft betwist dat zij niet langer gezinsleven onderhoudt met haar echtgenoot niet bestreden. Het daaraan door de rechtbank verbonden gevolg dat zij om die reden een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor voortgezet verblijf heeft ingediend, heeft zij evenmin bestreden. In de grieven 2 en 3 wordt deze vaststelling en het daaraan verbonden gevolg ook niet bestreden. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4.2. en 2.4.3. is overwogen kan de vreemdeling op het moment van de door haar ingediende aanvraag om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor voortgezet verblijf te verlenen niet als een Turkse werknemer noch als een gezinslid van zodanige werknemer in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 worden aangemerkt. Dat zij in het verleden als gezinslid van een zodanige werknemer kon worden aangemerkt en aldus onder de personele reikwijdte van voormeld artikel 13 viel, kan bij deze stand van zaken hieraan niet afdoen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte aangenomen dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 op de vreemdeling van toepassing is, zodat de grieven 2 en 3 reeds hierom falen.
De uitspraak op rechtspraak.nl