ABRvS 13 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1917

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 augustus 2008 in zaak nr. 200801489/1; www.raadvanstate.nl) omvat de verplichting bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening het asielverzoek volledig te behandelen, gelet op de begripsomschrijving in artikel 2, aanhef en onder e, en het bepaalde in artikel 16, vierde lid, mede dat de verantwoordelijke lidstaat de nodige maatregelen neemt en ten uitvoer legt om ervoor te zorgen dat de vreemdeling wiens asielverzoek is afgewezen die lidstaat verlaat. Die bepalingen bevatten echter geen verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om indien een vreemdeling op grond van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, van de Verordening is overgenomen van een andere lidstaat, de behandeling van het in die lidstaat ingediende asielverzoek over te nemen, een eerder ingediend asielverzoek opnieuw te behandelen of de vreemdeling na overname opnieuw in de gelegenheid te stellen een asielaanvraag in te dienen. Nu uit een schriftelijke reactie van de minister op door de rechtbank gevraagde inlichtingen van 12 maart 2010 blijkt dat de Franse autoriteiten hebben verklaard dat de vreemdeling in Frankrijk is uitgeprocedeerd, hebben de Franse autoriteiten op grond van de op hen ingevolge artikel 16, vierde lid, van de Verordening rustende verantwoordelijkheid de nodige maatregelen mogen nemen om er voor te zorgen dat de vreemdeling Frankrijk zou verlaten en haar derhalve na de overdracht het bevel mogen geven het land te verlaten. De stelling van de vreemdeling dat zij na de overdracht aan Frankrijk niet in de gelegenheid is gesteld aldaar een opvolgende asielaanvraag in te dienen, is door haar overigens niet aannemelijk gemaakt. Uit de door de vreemdeling overgelegde beschikking van 17 augustus 2009 blijkt dat de vreemdeling direct na overdracht aan de Franse autoriteiten het bevel heeft gekregen Frankrijk te verlaten. Niet blijkt dat zij bij die gelegenheid dan wel nadien heeft getracht bij de Franse autoriteiten een opvolgende asielaanvraag in te dienen of de wens daartoe te kennen heeft gegeven. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat uit de schriftelijke reactie van de minister op door de rechtbank gevraagde inlichtingen van 29 april 2010 blijkt dat de Franse autoriteiten hebben verklaard dat de vreemdeling geen enkele poging heeft ondernomen om in Frankrijk asiel aan te vragen en dat de vreemdeling in het gehoor naar aanleiding van haar herhaalde aanvraag evenmin heeft verklaard op enig moment een poging daartoe te hebben ondernomen. Nu niet blijkt dat de vreemdeling op enigerlei wijze heeft getracht bij de Franse autoriteiten opnieuw een asielaanvraag in te dienen, heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke aanvraag door de Franse autoriteiten niet in behandeling zou worden genomen. Gelet daarop is op voorhand uitgesloten dat de gang van zaken na haar overdracht aan Frankrijk op 17 augustus 2009 kan afdoen aan het eerdere afwijzende besluit van 12 juni 2008.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen