ABRvS 16 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8960

Vreemdelingenbewaring / mogelijkheid indienen aanvraag verblijfsvergunning regulier / voortvarend handelen Ingevolge artikel 3.99, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, wordt de aanvraag als bedoeld in de artikelen 14 en 20 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), gedaan door het indienen van een formulier, waarvan het model bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. Ingevolge artikel 3.101, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt de aanvraag, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, ingediend op een bij ministeriële regeling aan te wijzen plaats. Ingevolge het tweede lid wordt, indien de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen, in afwijking van het eerste lid de aanvraag ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd. Volgens onderdeel B1/9.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover thans van belang, kan het formulier voor een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verkregen via de website en de infolijn van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) en kan het tevens worden afgehaald bij het IND-loket van de desbetreffende IND locatie. Indien de aanvraag wordt ingediend door middel van een brief die de bewoordingen van het toepasselijke formulier volgt en die alle daarbij gevraagde gegevens omvat, wordt deze – met inachtneming van de overige vereisten – in behandeling genomen. Ten aanzien van een aanvraag als vorenbedoeld van een vreemdeling wiens vrijheid rechtens is ontnomen, is in dit onderdeel van de Vc 2000 vermeld dat, indien de vreemdeling zich in een cel van de Kmar of een uitzetcentrum bevindt, de Kmar de aanvraag in ontvangst neemt en haar onverwijld doorzendt naar de IND die onverwijld op de aanvraag beslist. Gelet op het voorgaande was de vreemdeling in de gelegenheid om, al dan niet via haar gemachtigde, zelf direct een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen op de plaats waar zij van haar vrijheid was ontnomen. Nu de vreemdeling voor het indienen van de aanvraag niet afhankelijk was van enig handelen van de minister, kan reeds hierom niet worden geoordeeld dat de minister op dit punt onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, zodat geen grond bestaat de voortduring van de bewaring om die reden onrechtmatig te achten. Overigens bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de minister, nu de vreemdeling op 29 september 2010 te kennen heeft gegeven een aanvraag te willen indienen en zij daartoe op 6 oktober 2010 in de gelegenheid is gesteld, in zoverre onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De grief faalt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen