ABRvS 6 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO7026
Ongewenstverklaring / Richtlijn 2004/38/EG / Openbare orde criterium niet van toepassing / EU-burger heeft zich niet begeven naar andere lidstaat / vreemdeling valt niet onder Richtlijn Volgens artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn is deze alleen van toepassing op burgers van de Unie die zich begeven naar of verblijven in een andere lidstaat dan die waarvan zij de nationaliteit bezitten, en op hun familieleden die hen begeleiden of zich bij hen voegen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, verleent de Richtlijn aan familieleden van burgers van de Unie aldus geen volledig en fundamenteel recht op vrij verkeer, maar slechts een recht op vrij verkeer dat afhankelijk is van dat van de burger van de Unie. De vreemdeling is op de dag van het misdrijf vanuit Duitsland naar Nederland gereisd, terwijl zijn echtgenote zich in Duitsland bevond. Nu de echtgenote van de vreemdeling zich niet heeft begeven naar een andere lidstaat dan die waarvan zij de nationaliteit bezit, heeft de situatie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn, zich niet voorgedaan. De vreemdeling heeft de echtgenote niet begeleid naar een andere lidstaat dan die waarvan zij de nationaliteit bezit en ging zich evenmin bij haar voegen in een andere lidstaat, zodat de vreemdeling ten tijde van het plegen van het misdrijf niet onder het bereik van de Richtlijn viel. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 31 januari 2006, C 503/03, Commissie tegen Spanje, (www.curia.europa.eu), volgt niet anderszins. Dit arrest betrof, anders dan de onderhavige zaak, burgers van de Unie die van hun recht op vrij verkeer gebruik hadden gemaakt door in een andere lidstaat te verblijven en hun familieleden met de nationaliteit van een derde land die hen begeleidden, dan wel zich bij hen gingen voegen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris had dienen te beoordelen of de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Richtlijn, alvorens tot ongewenstverklaring van de vreemdeling over te gaan. De grief slaagt. In grief 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ten onrechte niet, ingevolge artikel 25, tweede lid, van de SUO, met Duitsland in overleg is getreden om na te gaan of er voldoende grond is voor intrekking van de verblijfstitel van de vreemdeling. De staatssecretaris betoogt hiertoe dat de rechtbank niet heeft onderkend dat overleg met Duitsland geen voorwaarde is voor ongewenstverklaring van de vreemdeling, dan wel de hieraan gekoppelde signalering in het SIS. Uit artikel 25, tweede lid, van de SUO, volgt dat wanneer blijkt dat een vreemdeling die houder is van een door één der lidstaten afgegeven geldige verblijfstitel, in een andere lidstaat is gesignaleerd in het SIS, deze signalerende lidstaat in overleg moet treden met de lidstaat die de verblijfstitel heeft afgegeven ten einde na te gaan of er voldoende grond is voor intrekking van de verblijfstitel. Daargelaten of de vreemdeling een rechtstreeks beroep op dit artikel kan doen, volgt uit dit artikel niet dat het in overleg treden met Duitsland een voorwaarde is die aan ongewenstverklaring van de vreemdeling, dan wel zijn signalering in het SIS, vooraf dient te gaan. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat het besluit niet in stand kan blijven, omdat de staatssecretaris niet in overleg is getreden met Duitsland. Ingevolge artikel 25, tweede lid, van de SUO is Nederland evenwel verplicht om met Duitsland in het voorgeschreven overleg te treden zodra de ongewenstverklaring in rechte onaantastbaar is geworden. Wanneer Duitsland niet overgaat tot intrekking van de verblijfstitel, dient Nederland, ingevolge het voormelde artikel, over te gaan tot intrekking van de signalering van de vreemdeling in het SIS. De grief slaagt.
De uitspraak op rechtspraak.nl