ABRvS 25 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO6339
Somalië / Shabelle Hoose / onderscheid beoordeling artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn en artikel 29, lid 1, aanhef en onder d Vw 2000 De vraag of terugkeer naar het oordeel van de minister van bijzondere hardheid is, in welk geval artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 een grondslag vormt voor vergunningverlening, dient te worden onderscheiden van de vraag of zich de situatie voordoet, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn beoogt - zoals de Afdeling eerder heeft overwogen onder meer in de uitspraak van 25 mei 2009 in zaak nr. 200702174/2/V2 (www.raadvanstate.nl) - bescherming te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat elke burger louter door zijn aanwezigheid in het desbetreffende land of gebied een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde ernstige schade, in welke bescherming artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet. De door de voorzieningenrechter in aanmerking genomen omstandigheid dat niet is gesteld dat de vreemdeling fraude heeft gepleegd, mist in het kader van de toetsing of zich die uitzonderlijke situatie voordoet betekenis. In die omstandigheid heeft de voorzieningenrechter dan ook ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat op de minister ter zake een nadere motiveringsplicht rust. De grief slaagt.
De uitspraak op rechtspraak.nl