ABRvS 29 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN3366

Ongewenstverklaring / WBV 2004/63 / aanscherping beleid / rechtszekerheidsbeginsel In hoger beroep is niet bestreden dat de vreemdeling ten tijde van de strafrechtelijke veroordeling volgens het destijds geldende beleid niet op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 6.5, aanhef en onder b, van het Vb 2000, ongewenst kon worden verklaard. Door vooruit te lopen op het ten tijde van het besluit van 11 oktober 2006 nog niet in werking getreden hoofdstuk 5, titel 5.1, van de Awb heeft de rechtbank een onjuist toetsingskader gehanteerd, nu het legaliteitsbeginsel in de onderhavige zaak geen rol speelt. Met de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2003 in zaak nr. 200203932/1 heeft de rechtbank verder niet onderkend dat het in de onderhavige zaak niet gaat om het met formeel terugwerkende kracht wijzigen van beleid ten nadele van betrokkene. De klacht is in zoverre terecht voorgedragen, maar kan, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De ongewenstverklaring heeft een ambtshalve karakter en is een belastend besluit. Een vreemdeling kan immers door de ongewenstverklaring geen rechtmatig verblijf meer hebben, terwijl een vertrekplicht op hem rust. Bij belastende besluiten kan het rechtszekerheidsbeginsel in de weg staan aan de onmiddellijke werking van een nieuwe regeling. De ongewenstverklaring van de vreemdeling is gebaseerd op een eenmalige strafrechtelijke veroordeling die heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van het in het WBV 2004/63 neergelegde beleid op 1 november 2004 en die destijds, gelet op artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met het toen geldende artikel 6.5, aanhef en onder b, van het Vb 2000, niet tot ongewenstverklaring kon leiden. In die situatie verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen de in het WBV 2004/63 opgenomen aanscherping van het ter zake gevoerde beleid tegen te werpen, terwijl van bijzondere omstandigheden die het maken van een uitzondering op dat beginsel rechtvaardigen in dit geval niet is gebleken. Het betoog van de staatssecretaris dat van een voor de vreemdeling onvoorzienbaar nadeel geen sprake is omdat niet zijn gedraging maar de strafrechtelijke veroordeling tot zijn ongewenstverklaring heeft geleid, geeft geen aanleiding om anders te oordelen nu die veroordeling juist ziet op de gedraging. Nu het rechtszekerheidsbeginsel zich verzet tegen de onmiddellijke werking van de in het WBV 2004/63 opgenomen aanscherping ten aanzien van de ongewenstverklaring van de vreemdeling, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het besluit van 11 oktober 2006 niet in stand kan blijven wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen