ABRvS 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1650

Intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd / artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag / vertrouwensbeginsel Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de intrekking van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Dat de staatssecretaris de vreemdeling na het uitkomen van het ambtsbericht en terwijl hij wist dat de vreemdeling voor de KhAD/WAD had gewerkt, een vergunning tot verblijf zonder beperkingen heeft verleend en dat eerst met de brief van 14 november 2002 is gebleken dat de staatssecretaris het dossier van de vreemdeling voor onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft overgedragen aan de unit 1F van de IND, laat onverlet dat de vreemdeling gegevens over zijn werkzaamheden voor de KhAD/WAD had achtergehouden en derhalve steeds rekening met rechtsherstel diende te houden. De rechtbank heeft voorts niet onderkend dat de onjuiste informatie die de vreemdeling om wie het ging in het geval dat aan de orde was in voormelde uitspraak van de Afdeling van 9 november 2009 had verstrekt, geen betrekking had op de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, zodat reeds daarom dat geval wezenlijk verschilt van het thans voorliggende geval. De vreemdeling kon voorts niet het gerechtvaardigde vertrouwen dat evenbedoelde verblijfsvergunning niet zou worden ingetrokken ontlenen aan de omstandigheid dat zijn echtgenote en kinderen het Nederlanderschap was verleend, reeds omdat deze omstandigheid niet rechtstreeks op zijn persoon betrekking heeft.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen