ABRvS 1 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1165
Verblijf bij partner / duurzaamheid middelen van bestaan / arbeid als zelfstandige / artikel 3.20 VV 2000 Anders dan de rechtbank heeft overwogen, leidt de Afdeling uit het vorenstaande af dat op de in artikel 3.75, eerste lid, van het Vb 2000 neergelegde hoofdregel, dat bestaansmiddelen duurzaam zijn, indien de inkomsten aantoonbaar voor een periode van nog tenminste één jaar beschikbaar zijn, in artikel 3.20, eerste lid, van het VV 2000 een uitzondering wordt gemaakt voor bestaansmiddelen verkregen uit arbeid als zelfstandige. Deze worden eerst dan aangemerkt als duurzaam, indien zij gedurende ten minste anderhalf jaar zijn verworven en nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Aangezien de in artikel 3.20, eerste lid, van het VV 2000 vermelde voorwaarden cumulatief zijn gesteld, betoogt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu de zelfstandige heeft aangetoond nog een jaar over voldoende middelen van bestaan te beschikken, voor het aan de hand van de inkomsten uit het verleden vaststellen van de duurzaamheid van die inkomsten geen plaats meer is. Voor zover de vreemdeling kan worden gevolgd in haar standpunt dat uit paragraaf B1/4.3.4. van de Vc 2000 zou volgen dat onder omstandigheden voor zelfstandigen ook het algemeen uitgangspunt, neergelegd in artikel 3.75, eerste lid, van het Vb 2000 geldt, kan dat niet leiden tot het ermee beoogde doel. Artikel 3.20, eerste lid, van het VV 2000 is een algemeen verbindend voorschrift, waarvan niet bij beleidsregel kan worden afgeweken.
De uitspraak op rechtspraak.nl