ABRvS 21 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM2310
Procesbelang Indien aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier zou zijn verleend, voordat op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: verblijfsvergunning asiel) was beslist, had de staatssecretaris deze aanvraag krachtens artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) moeten afwijzen. Dit zou evenzeer gelden, indien de staatssecretaris als gevolg van een vernietiging van het besluit van 6 januari 2010 opnieuw op deze aanvraag zou moeten beslissen. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht overwogen dat, zolang de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier, zij met het door haar ingestelde beroep niet kan bereiken dat aan haar alsnog een verblijfsvergunning asiel wordt verleend. De vreemdeling betoogt echter terecht dat, aangezien haar aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel niet is afgewezen krachtens artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, maar omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich een rechtsgrond voor verlening voordoet, als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van deze wet, de afwijzing van een door haar na intrekking van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier dan wel na afwijzing van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur daarvan in te dienen opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel, een besluit van gelijke strekking zou zijn, als in 2.1.1. bedoeld. Dat leidt er evenwel niet toe dat in weerwil van het hiervoor overwogene, moet worden aangenomen dat zij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door haar tegen het besluit van 6 januari 2010 ingestelde beroep. Hetgeen hiervoor onder 2.1.3 is overwogen, leidt ertoe dat de vreemdeling toetsing van de weigering haar een verblijfsvergunning asiel te verlenen wordt onthouden, zolang zij in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier. Indien deze verblijfsvergunning wordt ingetrokken dan wel een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur daarvan wordt afgewezen en een opvolgende aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen, staat voormeld beoordelingskader niet aan toetsing van dat besluit in de weg. De intrekking van de verblijfsvergunning regulier dan wel de weigering om haar te verlengen is alsdan een nieuw gebleken feit, als in 2.1.2 bedoeld, dat toetsing van het besluit op de opvolgende aanvraag mogelijk maakt als ware het een eerste afwijzing. De situatie die de vreemdeling blijkens de toelichting op haar grief vreest en waaraan zij procesbelang stelt te ontlenen, zal zich dus niet voordoen. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl