ABRvS 19 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM2293
Enkele stelling dat vader niet het wettelijk gezag heeft, is niet voldoende om geen wettelijke zorgplicht in kader van amv-beleid aan te nemen / TBV 2000/30 en WBV 2005/12 Niet in geschil is dat de vader van de vreemdeling reeds ten tijde van de indiening van haar asielaanvraag op 10 oktober 2002 in Nederland verbleef. De enkele, niet nader met stukken onderbouwde stelling van de vreemdeling over het ontbreken van het wettelijke gezag van haar vader over haar geeft, gelet ook op de omstandigheid dat hij blijkens de gedingstukken op 30 januari 2003 als haar wettelijk vertegenwoordiger een aanvraag heeft ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel gezinshereniging bij ouder, geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet, mede onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2005 in zaak nr. 200504649/1 (JV 2006/73) in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de opvang van de vreemdeling in het land van herkomst is gewaarborgd, omdat haar vader ten aanzien van haar een wettelijke zorgplicht heeft en dientengevolge de verantwoordelijkheid heeft om de vreemdeling op te vangen in overeenstemming met de wet, althans dat hij er zorg voor dient te dragen dat op enigerlei wijze opvang aanwezig is, ook als dat buiten Nederland is. Uit het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen, neergelegd in het door de vreemdeling aangehaalde TBV 2000/30 en in het WBV 2005/12 volgt dat dit niet van toepassing is in de situatie dat een meerderjarige ouder die de verantwoordelijkheid heeft voor de verzorging van de minderjarige vreemdeling of die geacht kan worden die verantwoordelijkheid te hebben, in Nederland verblijft. Reeds daarom faalt het betoog van de vreemdeling dat het in het WBV 2005/12 neergelegde beleid minder gunstig voor haar is en ten onrechte is toegepast. Voor zover de vreemdeling zich beroept op bijzondere omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister deze ten onrechte niet heeft aangemerkt als omstandigheden die niet kunnen worden geacht bij de vaststelling van het beleid te zijn betrokken en die zouden nopen tot het in afwijking van dat beleid ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling op artikel 8 van het EVRM wordt het volgende overwogen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 3 november 2004 in zaak nr. 200404333/1, JV 2005/13), kan een op de beperking gezinshereniging en gezinsvorming betrokken omstandigheid niet leiden tot ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier. Nu in deze procedure niet is gevraagd om verlening van een verblijfsvergunning onder die beperking, doch aan de orde is een ambtshalve beoordeling van de aanspraken van de vreemdeling in het kader van het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het beroep op artikel 8 van het EVRM in deze procedure niet kan slagen.
De uitspraak op rechtspraak.nl