ABRvS 1 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0762
Vreemdelingenbewaring / termijnen / onderzoek ter zitting / vreemdeling door organisatorische fout niet aangevoerd Anders dan de situatie die zich voordeed in de zaak waarover de Afdeling bij uitspraak van 17 december 2009 in zaak nr. 200908930/1/V3 (www.raadvanstate.nl), heeft geoordeeld en waarnaar de rechtbank heeft verwezen, is er in dit geval geen plaats voor het oordeel dat bij de zitting van de rechtbank van 15 februari 2010 een aanvang is gemaakt met het horen, nu de vreemdeling ter zitting niet aanwezig was ten gevolge van omstandigheden die niet in zijn risicosfeer liggen. Derhalve is de vreemdeling voor het eerst in persoon gehoord op de zitting van 22 februari 2010 en heeft de rechtbank de vreemdeling niet gehoord binnen de termijn, gesteld in artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 februari 2005 in zaak nr. 200409759/1; JV 2005/172) leidt het niet tijdig horen van de vreemdeling met ingang van de dag volgend op de dag waarop de termijn eindigt tot strijd met artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000 en tot onrechtmatigheid van de maatregel. Nu deze termijn eindigde op 17 februari 2010, is de maatregel met ingang van 18 februari 2010 onrechtmatig. De grief slaagt.
De uitspraak op rechtspraak.nl