ABRvS 4 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL6545

Niet-tijdige betaling griffierecht. Uit artikel 40, vierde lid, van de Wet op de Raad van State volgt dat de verplichting om griffierecht te storten direct aan het indienen van het beroepschrift is verbonden en niet eerst ontstaat ten gevolge van een aanmaning van de zijde van de Afdeling. De gestelde termijn van vier weken waarbinnen na aanmaning het recht gestort dient te worden, vloeit rechtstreeks voort uit artikel 40, vierde lid, van de Wet RvS. In artikel 9, aanhef en onder a, van de Procesregeling wordt alleen aanvullend bepaald dat de schriftelijke uitnodiging om het verzuim te herstellen aangetekend wordt verzonden. Omdat de wet de verplichting tot het betalen van griffierecht direct verbindt aan het indienen van het beroepschrift, valt de in artikel 9 van de Procesregeling bedoelde uitnodiging samen met de uitnodiging bedoeld in artikel 6, eerste lid, van deze regeling. Deze bepalingen strekken er niet toe belanghebbenden die, na aangetekende verzending aan hen van de aanmaning om binnen vier weken het verschuldigde griffierecht te voldoen, van deze mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt, met een tweede brief aan dit verzuim worden herinnerd en nogmaals een hersteltermijn wordt geboden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen