ABRvS 22 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL1445

Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd / Richtlijn 2003/109/EG / langdurig ingezetenen / vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf / juist geïmplementeerd Gelet op de overwegingen 2.4.2. tot en met 2.4.4. is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de richtlijn deels onjuist is geïmplementeerd. Van een onjuiste toepassing van de richtlijn in de uitvoeringspraktijk is evenmin sprake. Dit heeft tot gevolg dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in het geval van de vreemdeling geen noodzaak bestaat om artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn rechtstreeks toe te passen en dat aan artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 dient te worden getoetst. De vreemdeling heeft op 13 december 2006 een aanvraag ingediend om haar een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen. Uit overweging 2.2. volgt dat zij in de periode van 1 juni 2006 tot 7 november 2006 rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad in de zin van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000. Nu deze verblijfstitel, gelet op overweging 2.4.3., dient te worden aangemerkt als een formeel beperkt verblijfsrecht, kan de duur daarvan niet worden meegeteld bij de berekening van de in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bedoelde periode van vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf direct voorafgaande aan de aanvraag. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris het besluit van 5 september 2007 in strijd met het recht heeft genomen. De grief slaagt in zoverre.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen