ABRvS 12 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI9037
Vreemdelingenbewaring / toepassing van posterieure overnameovereenkomst vormt belemmering voor toepassing Dublinverordening Met de Verordening zijn ten behoeve van lidstaten en asielzoekers uniforme criteria en bindende instrumenten vastgesteld teneinde te voorzien in een duidelijke en hanteerbare methode om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek. De Verordening bevat daarmee een uitputtende regeling voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. De daaruit voortvloeiende verplichting om een asielzoeker over of terug te nemen is een onlosmakelijk onderdeel van het systeem van de Verordening. Aangezien de vreemdeling zich zonder toestemming in Nederland ophield en hij stelde een asielverzoek in België te hebben ingediend, is op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening België verplicht hem terug te nemen onder de voorwaarden van artikel 20 van de Verordening. De staatssecretaris dient op zijn beurt een terugnameverzoek te doen teneinde de procedure voor terugname door België overeenkomstig artikel 20 van de Verordening in gang te zetten. De staatssecretaris heeft zich in dit geval terecht op het standpunt gesteld dat toepassing van de [posterieure] Overeenkomst een onbelemmerde toepassing van de Verordening zou doorkruisen, hetgeen in strijd is met voormelde jurisprudentie van het Hof.
De uitspraak op rechtspraak.nl