ABRvS 8 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI7619
Christenen in Irak / kwetsbare minderheidsgroep / 3 EVRM / WBV 2007/19 / beoordeling systematische schending Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, volgt uit rechtsoverweging 116 van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008 niet dat reeds het enkele behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep, als bedoeld in paragraaf C2/3.1.3. van de Vc 2000, voldoende is om te concluderen dat ten aanzien van de desbetreffende vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst een schending van artikel 3 van het EVRM dreigt. De in die rechtsoverweging, bij wijze van uitzondering, vermelde situatie waarin de desbetreffende vreemdeling naast het behoren tot de betrokken groep geen nadere specifieke individuele kenmerken aannemelijk hoeft te maken, doet zich eerst dan voor indien die groep systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. De enkele omstandigheid dat de staatssecretaris in het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Irak christenen als kwetsbare minderheidsgroep heeft aangemerkt, betekent nog niet dat de staatssecretaris er daarbij ook vanuit is gegaan dat die groep doelwit is van een systematische schending van artikel 3 van het EVRM. Blijkens de toelichting bij WBV 2007/19 en hetgeen de staatssecretaris ter zitting bij de Afdeling in dit verband naar voren heeft gebracht, heeft de staatssecretaris met het WBV, dat gebaseerd is op de op dat moment door hem uit het arrest van het EHRM van 11 januari 2007 getrokken conclusies, enkel beoogd aan te geven dat een vreemdeling die tot een als zodanig aangewezen kwetsbare minderheidsgroep behoort, reeds met beperkte individuele indicaties aan het in beginsel op grond van de jurisprudentie van het EHRM (onder meer voormelde uitspraak van 30 oktober 1991) geldende individualiseringsvereiste kan voldoen. Aan de aanwijzing als kwetsbare minderheidsgroep ligt derhalve niet mede ten grondslag de beoordeling dat deze groep systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, als bedoeld in voormeld arrest van het EHRM van 17 juli 2008. Die beoordeling dient ingeval de vreemdeling betoogt dat hij tot een zodanige groep behoort, nog te worden verricht aan de hand van de in dat verband ingebrachte informatie over de situatie van de desbetreffende groep en de mate waarin de leden van die groep bescherming kunnen verkrijgen tegen onmenselijke behandelingen. De grief slaagt. Uit de door de vreemdeling ingebrachte stukken kan worden afgeleid dat de situatie van christenen in Irak zorgelijk is en zij te lijden hebben onder de slechte veiligheidssituatie en straffeloosheid in Irak. Volgens de stukken is echter niet altijd duidelijk of een persoon doelwit is van geweld vanwege zijn of haar religie en kunnen in dit verband ook sociaal-economische redenen een rol spelen. Voorts volgt uit de stukken dat evenmin altijd duidelijk is wie verantwoordelijk is voor het desbetreffende geweld en hebben zowel de Irakese regering als de religieuze leiders in Irak de aanvallen op christenen veroordeeld. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de christenen in Irak dienen te worden aangemerkt als een groep die systematisch wordt blootgesteld aan onmenselijke behandelingen en de vreemdeling reeds vanwege het behoren tot deze groep aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Om een geslaagd beroep op deze verdragsbepaling te doen, kan de vreemdeling derhalve niet volstaan met aannemelijk te maken dat hij tot de christenen in Irak behoort, maar dient hij tevens met verdere specifieke individuele kenmerken aannemelijk te maken dat hij zodanig risico bij terugkeer naar zijn land van herkomst loopt. Omdat de vreemdeling niet is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris het asielrelaas in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling daarin niet is geslaagd.
De uitspraak op rechtspraak.nl