ABRvS 13 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3699
Bij besluit van 29 april 2004 heeft de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat van de directie Zuid-Holland (hierna: de hoofdingenieur-directeur), gevolg gevend aan de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2003, in zaak nr. 200202312/1, opnieuw beslist op het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 1] gemaakte bezwaar. De hoofdingenieur-directeur heeft het bezwaar gericht tegen de bij besluit van 19 december 2000 geweigerde ontheffing voor het innemen van een ligplaats in de Beneden-Merwede met meerdere schepen en/of een stevendok tot een maximale breedte van 23 meter buiten de eigendomsgrens van [appellant sub 1] opnieuw ongegrond verklaard. Bij besluit van 7 december 2004 heeft de hoofdingenieur-directeur het besluit van 29 april 2004 aangevuld en aan [appellant sub 1] onder voorschriften ontheffing verleend voor het afmeren van ten hoogste één schip met een maximale breedte van 12 meter aan de kade van de scheepswerf.
De uitspraak op rechtspraak.nl