ABRvS 9 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI1736

Mvv-procedure / pleegkind / gezinsleven / inherente afwijkingsbevoegdheid De omstandigheden ter zake waarvan de door de minister gegeven motivering naar het oordeel van de rechtbank tekort schiet, zien op de gezinssituatie en de leefomstandigheden van de vreemdelingen. Die omstandigheden zijn door de vreemdelingen echter niet met objectieve bewijsstukken gestaafd. De rechtbank heeft zich gebaseerd op de verklaringen van de pleegouders. Deze verklaringen kunnen, gezien het belang van de pleegouders bij onderhavige procedure, niet worden aangemerkt als objectief. Dat de pleegouders met bewijsstukken hebben aangetoond de voogdij over de oudere zus van de vreemdelingen te hebben, neemt voorts niet weg dat deze zus - onbestreden - niet rechtmatig in Nederland verblijft en dient terug te keren naar Suriname. De minister heeft haar daarom kunnen aanmerken als een in het land van herkomst verblijvende naaste bloed- of aanverwant als bedoeld in onderdeel B3/3.2 van de Vc 2000. Artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 verzet zich er niet tegen dat de minister bij het in dat artikelonderdeel bedoelde oordeel betrekt dat niet is aangetoond dat de Surinaamse Raad voor de Kinderbescherming geen rol kan spelen bij de verzorging van de vreemdelingen. Derhalve is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de omstandigheid dat in het beleid niet aan die instantie wordt gerefereerd, niet relevant. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank niet onderkend dat het besluit op bezwaar met betrekking tot voormelde omstandigheden van een deugdelijke motivering is voorzien, de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een situatie waarin de vreemdelingen in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst hebben en dat derhalve niet is voldaan aan artikel 3.28 van het Vb 2000. De eerste grief slaagt. [...] De pleegouders hebben geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat voldoende invulling wordt gegeven aan het familie- of gezinsleven. Dat zij ter zitting van de ambtelijke commissie hebben gesteld dat zij zich bekommeren om de vreemdelingen, hen regelmatig bezoeken, geld sturen en bijdragen in de kosten van hun opvoeding en verzorging, doet daaraan niet af. Dergelijke verklaringen zijn immers niet afkomstig uit objectieve bron. De overgelegde verklaringen van de moeder van de vreemdelingen, waarin deze de pleegouders toestemming geeft voor hun adoptie, alsmede de beschikking van de kantonrechter, waarbij de pleegmoeder tot hun tijdelijk voogdes is benoemd, kunnen gezien hun inhoud niet dienen ter onderbouwing van de wijze waarop feitelijk invulling wordt gegeven aan het gezinsleven. De minister heeft zich gelet daarop op het standpunt mogen stellen dat niet is aangetoond of gebleken dat de pleegouders voldoende invulling geven aan het familie- of gezinsleven met de vreemdelingen. Nu de minister zich reeds in het besluit van 14 april 2006 op dat standpunt heeft gesteld, lag het op de weg van de vreemdelingen om in de bezwaarfase de nodige bewijsstukken over te leggen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat het besluit op bezwaar in zoverre niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. De derde grief slaagt eveneens. [...] Uit artikel 3.28 van het Vb 2000 volgt dat een verblijfsvergunning slechts kan worden verleend indien is voldaan aan de in deze bepaling gestelde vereisten. Deze bepaling is een algemeen verbindend voorschrift. Nu, zoals in 2.1.3. is overwogen, de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is voldaan aan het vereiste als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, kan de vraag of hij aanleiding had behoren te zien om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van het gestelde in onderdeel B3/3.2 van de Vc 2000 niet meer aan de orde komen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen