ABRvS 23 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH8487

Vreemdelingenbewaring / termijn kennisgeving / Algemene termijnenwet van toepassing De in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 aan de staatssecretaris opgelegde verplichting de rechtbank uiterlijk op de in dat artikellid aangegeven dag op de hoogte te stellen van de inbewaringstelling, indien de desbetreffende vreemdeling voordien niet zelf een rechtsmiddel tegen dat besluit heeft ingesteld, is weliswaar een belangrijke aanvullende waarborg tegen willekeurige vrijheidsontneming, doch de artikelen 5, vierde lid, van het EVRM en 15, tweede lid, van de Gw dwingen niet tot het treffen van een dergelijke wettelijke voorziening. De desbetreffende vreemdeling kan zelf beroep instellen tegen de vrijheidsontnemende maatregel en aldus de termijn waarbinnen hij door de rechter moet worden gehoord doen aanvangen. Onder die omstandigheden bestaat, mede gelet op de procedurele waarborgen waarmee de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel is omgeven, geen aanleiding de termijn waarbinnen de staatssecretaris, zo nodig, de in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 bedoelde kennisgeving moet hebben gedaan, op te vatten als een termijn die zozeer verband houdt met de duur van de vrijheidsbeneming, dat deze kan worden aangemerkt als een termijn van vrijheidsbeneming waarvoor de Atw ingevolge artikel 4, aanhef en onder c, van die wet niet geldt. In het geval van de vreemdeling eindigde de in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 gestelde termijn op vrijdag 2 januari 2009. Aangezien deze dag gelijkgesteld is met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Atw, werd deze termijn ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Atw verlengd tot en met maandag 5 januari 2009. De staatssecretaris heeft de rechtbank derhalve tijdig van de inbewaringstelling van de vreemdeling in kennis gesteld. De grief slaagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen