ABRvS 10 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH6992

Weigering verblijf partner / vrij verkeer van goederen / omvang van het geschil / schending hoorplicht Het beroepschrift en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de voorzieningenrechter bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd dat referent gebruik maakt van het vrij verkeer van goederen. Evenmin heeft de vreemdeling ter zake van haar gezinsleven en de economische activiteiten van referent feiten ingeroepen waarin de voorzieningenrechter aanleiding had behoren te zien om, zoals hij heeft gedaan, te onderzoeken of de staatssecretaris bij het nemen van het besluit van 7 februari 2008 het vrij verkeer van goederen in acht heeft genomen. Nu aldus geen grond bestond dit op de voet van artikel 8:69, tweede lid, ambtshalve bij de beoordeling te betrekken, is de voorzieningenrechter buiten de grenzen van het geschil getreden. De grief slaagt. [...] De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De vreemdeling heeft in bezwaar ter zake van het vrij verkeer van diensten een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, waarbij zij heeft verwezen naar een drietal dossiernummers. Dit beroep rechtvaardigde niet de conclusie dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over kon bestaan dat het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kon leiden. Bovendien heeft de staatssecretaris, door in het besluit van 7 februari 2008 voor het eerst het standpunt in te nemen dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat sprake is van gelijke gevallen, haar ten onrechte de mogelijkheid onthouden zich, voorafgaande aan dat besluit, over dat standpunt uit te laten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen