ABRvS 3 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH5852
Aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘studie aan voortgezet of beroepsonderwijs’ / voorwaarden artikel 3.41, tweede lid van het Vb Uit paragraaf B6/3 van de Vc 2000 volgt dat de vreemdeling, om voor verlening van de door haar gevraagde verblijfsvergunning in aanmerking te komen, in ieder geval dient aan te tonen dat de door haar te volgen opleiding of een soortgelijke opleiding niet bestaat in haar land van herkomst. De tekst van artikel 3.41, tweede lid, van het Vb 2000 noch de invulling daarvan bij voormelde paragraaf biedt een aanknopingspunt voor het oordeel dat alleen met een verklaring van het Ministerie van Onderwijs van Japan kan worden aangetoond dat de door de vreemdeling hier te lande te volgen opleiding of een soortgelijke opleiding in Japan niet bestaat. De in dit verband door de vreemdeling wel overgelegde stukken had de staatssecretaris derhalve bij zijn beoordeling dienen te betrekken. In zoverre slaagt de grief. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de vreemdeling voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 20 november 2007 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven. De vreemdeling heeft, onder verwijzing naar krantenartikelen en verklaringen van personen die werkzaam zijn in haar vakgebied, aangevoerd dat met de opleiding tot (authentieke) uurwerktechnicus een positieve bijdrage wordt geleverd aan de ontwikkeling van Japan. Uit deze stukken volgt dat er, wereldwijd en dus ook in Japan, behoefte bestaat aan vakbekwame klokkenmakers en dat de Nederlandse school op dit vakgebied een lange historie kent en hoog staat aangeschreven, aldus de vreemdeling. Hetgeen aldus is aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat doordat Japan als een hooggeïndustrialiseerd land moet worden aangemerkt, het niet aannemelijk is dat door het volgen van de opleiding 'uurwerktechnicus' een positieve bijdrage wordt geleverd aan de ontwikkeling van dat land. Aldus wordt niet voldaan aan dit in artikel 3.41, tweede lid, van het Vb 2000 gestelde vereiste, zodat de beroepsgrond faalt.
De uitspraak op rechtspraak.nl