ABRvS 24 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH5618

Verruimde gezinshereniging / inherente afwijkingsbevoegdheid / aard en doel van eerdere verleende verblijfstitel mag worden betrokken bij belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM De rechtbank heeft - in hoger beroep overigens onbestreden - geoordeeld dat het standpunt van de staatssecretaris, dat zich geen zeer bijzondere individuele omstandigheden, als bedoeld in onderdeel B2/6.5 van de Vc 2000, voordoen, de toetsing in rechte kan doorstaan. Door vervolgens te overwegen dat de staatssecretaris ingevolge artikel 4:84 van de Awb had moeten bezien of aanleiding bestond af te wijken van dit onderdeel van de Vc 2000, is de rechtbank ten onrechte eraan voorbijgegaan dat de staatssecretaris, gezien hetgeen onder 2.1.4. is vermeld, op alle door de vreemdeling in bezwaar, ten betoge dat zich zeer bijzondere individuele omstandigheden voordoen, gestelde omstandigheden is ingegaan en dat de staatssecretaris gemotiveerd heeft uiteengezet dat, en waarom, deze niet tot gegrondverklaring van het bezwaar leiden. Aangezien de vreemdeling in bezwaar niet nader heeft toegelicht in welk opzicht deze omstandigheden als bijzonder in de zin van artikel 4:84 van de Awb zouden moeten worden aangemerkt, bestaat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris aldus is tekortgeschoten in de motivering van het besluit. De grieven slagen. [...] Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige daartegen is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt. [...] Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2009 in zaak nr. 200805780/1; aangehecht ter voorlichting van partijen), is, bij de vraag of sprake is van inmenging, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, doorslaggevend dat de desbetreffende vreemdeling, voorafgaand aan het in rechte bestreden besluit, over een verblijfstitel beschikte, waardoor hij feitelijk in staat was het familie- of gezinsleven uit te oefenen. Daaruit vloeit evenwel niet voort dat aan de aard en het doel van de verblijfstitel die de desbetreffende vreemdeling feitelijk in staat stelde het familie- of gezinsleven in Nederland uit te oefenen geen betekenis meer kan toekomen bij de afweging tussen enerzijds de belangen van de desbetreffende vreemdeling en anderzijds het Nederlandse algemeen belang. Derhalve heeft de staatssecretaris, anders dan de vreemdeling heeft aangevoerd, bij de belangenafweging terecht gewicht toegekend aan de omstandigheid dat het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die aan de vreemdeling is verleend onder de beperking "de voorbereiding op studie", ingevolge artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000, tijdelijk van aard is. Voorts heeft de staatssecretaris terecht in aanmerking genomen dat niet is gebleken van een bijzondere afhankelijkheid tussen de vreemdeling en haar ouders en evenmin van een objectieve belemmering om het familie- of gezinsleven in Marokko uit te oefenen. Verder heeft de staatssecretaris terecht betekenis gehecht aan de omstandigheden dat de vreemdeling ongeveer 24 jaar in Marokko heeft verbleven en dat nog familie in Marokko woont.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen