ABRvS 23 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH5048
Dublinverordening / Overnameovereenkomst Benelux en BRD uit 1966 / indien toepassing van een [anterieure] overeenkomst een belemmering dreigt te vormen voor de toepassing van een bepaling van gemeenschapsrecht, mogen de lidstaten niet de gemeenschapsregels naast zich neer leggen. Met de Verordening zijn ten behoeve van lidstaten en asielzoekers uniforme criteria en bindende instrumenten vastgesteld teneinde te voorzien in een duidelijke en hanteerbare methode om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek. De Verordening bevat daarmee een uitputtende regeling voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. De daaruit voortvloeiende verplichting om een asielzoeker over of terug te nemen is een onlosmakelijk onderdeel van het systeem van de Verordening. Aangezien de vreemdeling zich zonder toestemming in Nederland ophield en hij stelde een asielverzoek in Duitsland te hebben ingediend, was op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening Duitsland verplicht hem terug te nemen onder de voorwaarden van artikel 20 van de Verordening. De staatssecretaris moest op zijn beurt een terugnameverzoek doen teneinde de procedure voor terugname door Duitsland overeenkomstig artikel 20 van de Verordening in gang te zetten. De staatssecretaris heeft in dit geval terecht geen toepassing aan de Overeenkomst [tussen Benelux en BRD] gegeven, omdat dit een onbelemmerde toepassing van de Verordening zou doorkruisen, hetgeen in strijd is met de jurisprudentie van het Hof dat indien toepassing van een [anterieure] overeenkomst een belemmering dreigt te vormen voor de toepassing van een bepaling van gemeenschapsrecht, de lidstaten niet de gemeenschapsregels naast zich neer mogen leggen, maar hun bevoegdheid moeten uitoefenen in overeenstemming met het gemeenschapsrecht, teneinde de krachtens dat recht op hen rustende verplichtingen na te komen.
De uitspraak op rechtspraak.nl