ABRvS 16 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG1666

Toegangsweigering / Schengengrenscode / vormvoorschrift / herstel gebrek / aannemelijkheid van doorreis Vast staat dat de vreemdeling bij het besluit van 30 maart 2007 niet het formulier met de reden van toegangsweigering, als bedoeld in deel B van bijlage V behorende bij de Schengengrenscode, is uitgereikt. Het betoog van de vreemdeling ter zitting van de Afdeling dat door het niet uitreiken van dat formulier geen sprake is van een besluit tot toegangsweigering en dat de rechtbank derhalve heeft miskend dat de minister het ingestelde administratieve beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat het is gericht tegen een niet bestaand besluit, faalt. Uit het proces-verbaal van bevindingen opgesteld door een ambtenaar van de Koninklijke marechaussee belast met de grensbewaking van 30 maart 2007 blijkt dat de vreemdeling de toegang is geweigerd omdat hij niet voldeed aan de toegangsvoorwaarden als bedoeld in artikel 5 van de Schengengrenscode. Verder is niet in geschil dat de vreemdeling wel een voorblad behorende bij het formulier als bedoeld in deel B van bijlage V van de Schengengrenscode is uitgereikt. Dat daarbij is verzuimd door middel van uitreiking van het daartoe bestemde standaardformulier de precieze gronden voor de toegangsweigering mede te delen, laat onverlet dat gezien de inhoud van dit proces-verbaal sprake is van een, zij het gebrekkig, besluit tot toegangsweigering. Anders dan de rechtbank, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het aan het besluit klevende gebrek niet in administratief beroep zou kunnen worden hersteld. Uit het bepaalde in artikel 13, tweede en derde lid, van de Schengengrenscode, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat voor degene die de toegang wordt geweigerd de weigeringsgrond kenbaar moet zijn en dat hij daartegen in rechte moet kunnen opkomen. Het derde lid houdt in dat het beroep overeenkomstig de nationale wetgeving moet worden ingesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 77, eerste lid van de Vw 2000 is dit een procedure van administratief beroep. De minister betoogt terecht dat in die procedure het aan het besluit van 30 maart 2007 klevende gebrek kon worden hersteld. Artikel 13, tweede lid, van de Schengengrenscode biedt, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat het niet uitreiken van het in artikel 13, tweede lid, genoemde formulier met weigeringsgronden een gebrek is dat niet meer kon worden hersteld en dat derhalve in dat geval van een rechtmatige toegangsweigering geen sprake meer kon zijn. Mede gelet op hetgeen in artikel 13, derde lid, van de Schengengrenscode is bepaald omtrent de mogelijkheid van beroep die de desbetreffende persoon moet worden geboden alsmede op de ingrijpende gevolgen die alsdan aan een gebrek als vorenbedoeld zijn verbonden, zou voor de opvatting van de rechtbank slechts plaats zijn indien zulks uitdrukkelijk in de Schengengrenscode zou zijn bepaald dan wel uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze verordening ondubbelzinnig zou zijn af te leiden dat artikel 13, tweede lid, van de Schengengrenscode moet worden verstaan in de door de rechtbank voorgestane zin. Van het een noch het ander is hier sprake. Het betoogt slaagt. De vreemdeling voldoet niet aan de in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder e, van de Schengengrenscode opgenomen toegangsvoorwaarde, zodat gelet op het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de Schengengrenscode hem de toegang tot het Schengengebied moet worden geweigerd. Niet in geschil is dat de vreemdeling in bezit is van een door de Spaanse autoriteiten afgegeven verblijfstitel. Voor onderdanen van derde landen die in het bezit zijn van een verblijfstitel van een van de lidstaten kent artikel 5, vierde lid, aanhef en onder a, een voorziening in die zin dat toegang met het oog op doorreis dient te worden verleend zodat het grondgebied van de lidstaat die de verblijfstitel heeft verstrekt, kan worden bereikt. Nu het hier een uitzondering betreft op het verbod als bedoeld in artikel 13, eerste lid, en deze uitzondering slechts betrekking heeft op een bepaald doel, volgt uit het bepaalde in artikel 5, vierde lid, van de Schengengrenscode dat de vreemdeling op het tijdstip dat wordt vastgesteld dat hij niet aan de toegangsvoorwaarden als bedoeld in artikel 5, eerste lid, voldoet, aannemelijk dient te maken dat hij doorreist naar de lidstaat waarvan hij een verblijfstitel heeft. Slechts onder die beperking wordt toegang verleend. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de vreemdeling niet aannemelijk hoeft te maken dat hij zal doorreizen noch dat die doorreis onmiddellijk zal plaatsvinden. Nu de vreemdeling niet in het bezit was van een vliegticket naar Spanje en evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat en wanneer de doorreis op een andere wijze zal plaatsvinden, heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de vreemdeling niet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Schengengrenscode heeft voldaan en is hem de toegang gelet op het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de Schengengrenscode terecht geweigerd. Het betoog slaagt eveneens.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen