ABRvS 1 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF8572

Duurzaamheid bestaansmiddelen bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur Voorts heeft de partner niet gedurende een ononderbroken periode van drie jaren voorafgaande aan de aanvraag dan wel het besluit middelen van bestaan uit arbeid in loondienst verworven. Weliswaar is aangetoond dat zij verscheidene arbeidsovereenkomsten heeft gehad, maar de eerste arbeidsovereenkomst is aangegaan met ingang van 1 juli 2004, derhalve minder dan drie jaar vóór het moment waarop het besluit op bezwaar is genomen, zodat ook op dat moment niet reeds gedurende een periode van drie jaar arbeid in loondienst was verricht. Bovendien sluiten de arbeidsovereenkomsten niet op elkaar aan en het totaal van de tussenliggende tijdvakken van werkloosheid bedraagt meer dan 26 weken. De staatssecretaris betoogt gezien het vorenstaande evenzeer terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat hij heeft kunnen vaststellen dat de partner niet gedurende drie jaar onafgebroken heeft gewerkt. De staatssecretaris heeft de middelen van bestaan verkregen uit arbeid derhalve terecht niet aangemerkt als duurzaam. Dat de door de partner verworven inkomsten uit arbeid in loondienst op het moment waarop het besluit op de aanvraag werd genomen nog voor minimaal zes maanden beschikbaar waren, doet daaraan niet af, aangezien de voorwaarden van artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 cumulatief zijn gesteld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen