ABRvS 17 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF3035
Ongewenstverklaring / EG-onderdaan / ACVZ-advies / openbare orde In de grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in het advies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (hierna: de commissie) van 15 maart 2006 dat aan het besluit van 11 oktober 2005 ten grondslag is gelegd een aantal omstandigheden is meegewogen die niet zien op het persoonlijke gedrag van de vreemdeling maar als verwachtingen en veronderstellingen zijn te kwalificeren, het advies in dit opzicht aannames van de commissie bevat die iedere objectieve grondslag ontberen en bedoelde omstandigheden niet kunnen worden betrokken bij de vraag of de vreemdeling een actuele bedreiging voor de openbare orde vormt. Het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 11 oktober 2005 ondeugdelijk is gemotiveerd omdat voormeld advies daaraan ongewijzigd en integraal ten grondslag is gelegd, is volgens de staatssecretaris dan ook onjuist. De staatssecretaris betoogt – samengevat weergegeven – dat de rechtbank heeft miskend dat de commissie overeenkomstig de lijn die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ter zake heeft uitgezet de aard en de ernst van het door de vreemdeling gepleegde misdrijf en zo het gedrag van de vreemdeling voorop heeft gesteld, voorts heeft bezien of de in aanmerking te nemen factoren, vooral het gedrag van de desbetreffende vreemdeling, sinds het door de vreemdeling gepleegde misdrijf zijn veranderd en heeft vastgesteld dat bij de vreemdeling geen sprake is van positieve gedragsveranderingen op grond waarvan thans moet worden gezegd dat hij geen actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. [...] Blijkens het advies heeft de commissie kennisgenomen van het strafdossier van de zaak die tot de veroordeling van de vreemdeling heeft geleid. De commissie heeft aldus kennisgenomen van het gedrag van de vreemdeling dat tot zijn veroordeling heeft geleid en haar oordeel niet louter op die veroordeling gebaseerd. Voorts heeft de commissie haar oordeel dat het gedrag van de vreemdeling een werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, gebaseerd op het karakter en de schaal van het door de vreemdeling gepleegde delict. De commissie heeft niet ten onrechte in de betrokkenheid van de vreemdeling bij internationale drugshandel aanleiding gezien voor het oordeel dat zijn gedrag een werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. Verder heeft de commissie bezien of de bedreiging die van het gedrag van de vreemdeling uitgaat nog actueel is. Daarbij is zij er kennelijk van uitgegaan dat de aard en ernst van het gedrag van de vreemdeling dat tot de veroordeling heeft geleid meebrengen dat, behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, de bedreiging voortduurt. Blijkens het advies heeft de commissie in het gedrag van de vreemdeling sedert zijn veroordeling geen concrete aanwijzingen gezien voor het oordeel dat de bedreiging niet langer actueel is. De commissie is niet ten onrechte tot die conclusie gekomen. De rechtbank heeft in dit verband ten onrechte van belang geacht dat niet is gebleken dat de vreemdeling zich na zijn strafrechtelijke veroordeling in 2004 schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, nu de vreemdeling tot kort voor het besluit van 20 september 2007 gedetineerd is geweest. De constatering dat de vreemdeling gedurende zijn detentie geen positieve gedragsveranderingen heeft laten zien en de omstandigheid dat de vreemdeling het bewezenverklaarde blijft ontkennen, zien naar hun aard op het gedrag van de vreemdeling. De door de rechtbank gegeven kwalificatie als verwachtingen dan wel veronderstellingen op basis van aannames van de commissie zelf die iedere objectieve grondslag ontberen, is onjuist.
De uitspraak op rechtspraak.nl