ABRvS 4 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF0502

Vreemdelingenbewaring / Iran / zicht op uitzetting Uit hetgeen ter zitting van de Afdeling naar voren is gebracht, blijkt dat de ambassade van Iran laissez-passers verstrekt ten behoeve van de uitzetting van in bewaring gestelde gedocumenteerde vreemdelingen met de Iraanse nationaliteit. Niet gebleken is dat de door de vreemdeling bij zijn presentatie aan de consulaire vertegenwoordiging van Iran af te leggen verklaring dat hij bereid is vrijwillig naar Iran terug te keren een zodanige strekking heeft dat het afleggen daarvan verder gaat dan binnen het bestek van de op hem rustende verplichting Nederland eigener beweging te verlaten redelijkerwijs van hem zou kunnen worden verlangd. Tijdens het met de vreemdeling op 24 juni 2008 gevoerde vertrekgesprek heeft hij te kennen gegeven dat hij in het land van herkomst de beschikking heeft gehad over documenten. Gesteld noch gebleken is dat hij de nodige, controleerbare inspanningen heeft verricht om documenten waaruit zijn identiteit en nationaliteit blijken te verkrijgen. Ook heeft hij geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat hij daartoe niet in staat kan worden geacht. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank, anders dan de vreemdeling betoogt, terecht overwogen dat in dit geval zicht op uitzetting niet ontbreekt. De grief faalt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen