ABRvS 8 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BE0215
Arbeid als zelfstandige / Japans Handelsverdrag / meestbegunstigingsclausule heeft (nog steeds) verblijfsrechtelijke betekenis In de tweede grief klaagt de staatssecretaris [...] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de partijen bij het Verdrag aan artikel 1, aanhef en onder 1? geen uitvoering meer geven, zodat sprake is van onbruik [...]. Vaststaat dat het Verdrag niet op de wijze als in artikel 20 voorzien is beëindigd. Dat laat onverlet dat ingevolge artikel 54, aanhef en onder b, van het Verdrag van Wenen beëindiging van een verdrag te allen tijde door overeenstemming kan plaatsvinden. Die overeenstemming kan onder meer blijken uit het gedrag van de bij een bilateraal verdrag aangesloten partijen, waaruit kan worden afgeleid dat deze partijen dat verdrag feitelijk negeren of uit het gedrag van een bij een bilateraal verdrag aangesloten partij, waaruit kan worden afgeleid dat deze partij dat verdrag feitelijk negeert en waarin door de andere bij dat verdrag aangesloten partij wordt berust. Dat in de notawisseling tussen de Nederlandse en Japanse regering van 15 en 16 mei 1956 niet is verwezen naar artikel 1, aanhef en onder 1 ?, van het Verdrag biedt onvoldoende grond voor de door de staatssecretaris daaruit getrokken conclusie dat beide regeringen voormeld artikel niet van belang achten […]. Dat uit de vermelding op de bijlage bij Beschikking 2001/855/EG niets kan worden afgeleid over de betekenis die Nederland aan voormeld artikel hecht, noopt niet tot het oordeel dat Nederland daaraan geen betekenis toekent [...]. Uit het feit dat het Verdrag is vermeld op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Japan [...] kan worden afgeleid dat Japan evenmin afstand heeft genomen van de bepalingen, inclusief artikel 1, aanhef en onder 1 ? van het Verdrag [...]. Bij deze stand van zaken noopt het feit dat in artikel 8.26 van het Vb 2000 noch in de Vc 2000 naar het Verdrag is verwezen, niet tot het oordeel dat reeds hierom Nederland het Verdrag negeert en daarvan afstand heeft genomen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat uit het gedrag van de bij het Verdrag aangesloten partijen kan worden afgeleid dat deze partijen dat Verdrag feitelijk negeren of dat uit het gedrag van één van deze partijen kan worden afgeleid dat het Verdrag feitelijk wordt genegeerd en waarin door de andere partij wordt berust. De rechtbank heeft derhalve terecht het betoog van de staatssecretaris dat Nederland en Japan aan artikel 1, aanhef en onder 1°, van het Verdrag geen uitvoering geven, verworpen. De grief faalt in zoverre. Voorts klaagt de staatssecretaris in de tweede grief […] dat de rechtbank evenmin heeft bonderkend dat artikel 1, aanhef en onder 1 ?, van het Verdrag haar werking heeft verloren, omdat sprake is van een wezenlijke verandering van omstandigheden. De staatssecretaris heeft met de door haar ingeroepen stukken niet aannemelijk gemaakt dat, en welke wezenlijke verandering van de omstandigheden zich heeft voorgedaan. In de derde grief klaagt de staatssecretaris dat […] de rechtbank heeft miskend dat artikel 1, aanhef en onder 1?, van het Verdrag geen verblijfsrechtelijke betekenis heeft. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat uit de bewoordingen daarvan valt af te leiden dat de meestbegunstigingsclausule eerst dan van toepassing is, indien een vreemdeling voldoet aan de nationale wetgeving op het gebied van binnenkomst van verblijf van vreemdelingen en dat het niet de bedoeling van de opstellers van het Verdrag is geweest om deze wetgeving ter zijde te stellen met het opnemen van een meestbegunstigingsclausule […]. Tussen partijen is niet in geschil dat de eerste volzin van artikel 1, aanhef en onder 1°, van het Verdrag niet zover strekt dat de nationale wetgeving op het gebied van binnenkomst en verblijf van vreemdelingen in het geheel niet van toepassing is. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de zinsnede 'indien zij zich gedragen naar de wetten des lands' in de tweede volzin van dat artikel mede betrekking heeft op deze nationale wetgeving. Het geschil spitst zich toe op de vraag of deze zinsnede een algemeen voorbehoud op de toepassing van de meestbegunstigingsclausule in dat artikel behelst. Derhalve dient, nu partijen niet verschillen over de uitleg van de betekenis van bedoelde zinsnede, op de voet van artikel 31, eerste lid, van het Verdrag van Wenen de verhouding tussen deze zinsnede en de meestbegunstigingsclausule te goeder trouw te worden uitgelegd in het licht van voorwerp en doel van het Verdrag. Op grond van het vorenstaande kan de zinsnede 'indien zij zich gedragen naar de wetten des lands' in de tweede volzin van artikel 1, aanhef en onder 1°, van het Verdrag derhalve niet als een algemeen voorbehoud op de toepassing van de meestbegunstigingsclausule in dat artikel worden aangemerkt. De bepalingen van nationaal recht op het gebied van de binnenkomst en het verblijf van vreemdelingen dienen dan ook, in het licht van het voorwerp en doel van het Verdrag, met inachtneming van deze meestbegunstigingsclausule te worden toegepast. Dat betekent dat een door een Japanse onderdaan ingediende aanvraag om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor arbeid als zelfstandige te verlenen, dient te worden beoordeeld met inachtneming van artikel II, eerste lid, aanhef en onder a. en b. van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag en paragraaf B11/8.1 van de Vc 2000.
De uitspraak op rechtspraak.nl