ABRvS 5 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD9606

Artikel 7 Definitierichtlijn / geen relevante wijziging van recht De bewoordingen van artikel 7, tweede lid, van de Definitierichtlijn bieden geen grond voor het oordeel dat het bestaan van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, een zelfstandig criterium is voor de beantwoording van de vraag of bescherming wordt geboden, in die zin dat die vraag altijd ontkennend moet worden beantwoord als van een dergelijk doeltreffend juridisch systeem geen sprake is. Een dergelijk oordeel verdraagt zich ook niet met de in het eerste lid neergelegde gedachte, dat ook anderen dan de staat actoren van bescherming kunnen zijn. Artikel 7, tweede lid, van de Definitierichtlijn bevat elementen waarin bescherming door de staat of bedoelde partijen of organisaties kan zijn gelegen en waarbij, gelet op de tekst van dat artikel, niet is uitgesloten dat ook andere elementen een rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of in het algemeen bescherming wordt geboden. Artikel 7, tweede lid, van de Definitierichtlijn bevat in zoverre geen nieuw recht. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 19 juli 2002 in zaak nr. 200202206/1, JV 2002/306; 10 maart 2003 in zaak nr. 200206106/1, JV 2003/178; 19 december 2005 in zaak nr. 200508022/1, JV 2006/48; 12 oktober 2006 in zaak nr. 200603566/1, JV 2006/436) volgt dat, anders dan de vreemdeling stelt, ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen eerst wordt onderzocht of in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij wordt informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, betrokken. Eerst nadat die vraag bevestigend is beantwoord kan aan de orde komen de vraag of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien dat laatste niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden. Met de ter zitting door de vreemdeling genoemde uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2003 in zaak nr. 200301449/1 (JV 2003/332), waarin de Afdeling heeft overwogen dat het op de weg van de minister ligt te onderzoeken of de autoriteiten, gelet op hetgeen algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst, in het bijzonder op basis van de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken, in het algemeen in staat of bereid zijn bescherming te bieden, wordt, anders dan de vreemdeling kennelijk meent, juist bevestigd dat volgens het Nederlands recht dit onderzoek dient plaats te vinden, voordat kan worden toegekomen aan de vraag of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij die bescherming niet kan krijgen. Gelet op het vorenstaande is het buiten tot prejudiciële verwijzing nopende twijfel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat in dat artikel een toetsingsnorm is opgenomen voor de beantwoording van de vraag, of in het land van herkomst sprake is van bescherming, die verandering brengt in de wijze waarop naar nationaal recht reeds wordt beoordeeld of sprake is van bescherming in het land van herkomst. Dientengevolge is geen sprake van een relevante wijziging van het recht. De staatssecretaris betoogt derhalve terecht dat het gestelde in artikel 7, tweede lid, van de Definitierichtlijn niet afwijkt van de in het Nederlandse recht reeds gehanteerde toetsingsnorm dat in het land van herkomst sprake moet zijn van effectieve bescherming. De grief slaagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen