ABRvS 17 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD9033
Vertrouwensbeginsel / afgifte verblijfsdocument / niet langer voldaan aan de beperking van de verleende vergunning In beroep heeft de vreemdeling gesteld dat, nu haar op 18 juli 2006 een verblijfsvergunning is verstrekt met een geldigheidsduur tot 19 november 2007, zij erop mocht vertrouwen dat aan het door haar gemaakte bezwaar tegen de geldigheidsduur van de haar bij het besluit van 17 januari 2006 verleende verblijfsvergunning tegemoet was gekomen. [..] Op 26 april 2005 heeft het Openbaar Ministerie besloten dat naar aanleiding van de door de vreemdeling gedane aangifte ter zake van mensenhandel geen strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek zal worden ingesteld. Niet in geding is dat de vreemdeling geen beklag heeft gedaan tegen dat besluit. Bij de door de staatssecretaris aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de door de vreemdeling voorgedragen beroepsgrond dat haar niet kan worden toegerekend dat zij geen beklag heeft gedaan, uitdrukkelijk verworpen. De vreemdeling is daartegen niet in hoger beroep gekomen. Honorering van het door de vreemdeling gedane beroep op het vertrouwensbeginsel zou betekenen dat haar een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.48 van het Vb 2000 zou moeten worden verleend voor een periode waarin, ook met inachtneming van artikel 3.88 van het Vb 2000, niet langer is voldaan aan de beperking van die vergunning. Voormelde bepalingen verzetten zich daartegen. Het vertrouwensbeginsel strekt niet zo ver, dat het de staatssecretaris verplicht om in strijd met een algemeen verbindend wettelijk voorschrift te besluiten. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
De uitspraak op rechtspraak.nl