ABRvS 3 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD6911
Vreemdelingenbewaring / voortvarendheid / activiteiten gericht op uitzetting hangende aanvraag en voorafgaand aan inbewaringstelling Op 22 april 2008, de dag waarop de vreemdeling zijn asielaanvraag indiende, was nog geen besluit genomen op de aanvraag van de vreemdeling en over de vraag of hij met het oog op zijn uitzetting in bewaring zou worden gesteld. Op 25 april 2008 is de vreemdeling meegedeeld dat het voornemen bestaat om de asielaanvraag af te wijzen, waarna het besluit om hem in bewaring te stellen is genomen op 28 april 2008. Voor de vraag of de staatssecretaris met gepaste voortvarendheid activiteiten heeft verricht om tot daadwerkelijke uitzetting van de van zijn vrijheid beroofde vreemdeling te komen kan dan ook niet de periode vanaf 22 april 2008 in ogenschouw worden genomen. Dat tot inbewaringstelling is besloten omdat mogelijk een Dublin-claim bij een andere lidstaat kan worden ingediend en de staatssecretaris met die mogelijkheid reeds op 22 april 2008 bekend kon zijn, maakt niet dat reeds vanaf dat moment activiteiten gericht op uitzetting dienden te worden verricht. De grief slaagt. Hetgeen de staatssecretaris overigens heeft aangevoerd kan derhalve buiten bespreking worden gelaten.
De uitspraak op rechtspraak.nl