ABRvS 29 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD1538

Wettelijke taak COa / minderjarige vreemdelingen / IVRK / noodzakelijke bestaansvoorwaarden / financiële bijdrage Bij haar overweging dat het COa bij de besluiten van 7, 14 en 16 maart 2007 ten onrechte geen uitvoering heeft gegeven aan de uit het IVRK voortvloeiende en op de Nederlandse staat rustende zorgplicht ten aanzien van de categorie minderjarigen, waartoe de vreemdelingen behoren, is de rechtbank uitgegaan van de veronderstelling dat op het COa op grond van artikel 3 van de Wet COa alle materiële en immateriële zorgtaken voor vreemdelingen rusten. Op grond van de Rvb is het COa belast met het voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden van de in artikel 2, eerste lid vermelde categorieën vreemdelingen. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb behoort tot de kring van rechthebbenden de categorie minderjarige vreemdelingen die, samen met tenminste één ouder of verzorger, in afwachting van een verblijfsaanvraag rechtmatig in Nederland verblijven. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Rvb wordt met de noodzakelijke bestaansvoorwaarden voor deze categorie vreemdelingen slechts het verstrekken van een financiële toelage bedoeld. Het Rvb bevat geen bepalingen die het COa een mogelijkheid bieden om hiervan af te wijken. Hieruit volgt dat het COa ten aanzien van de categorie vreemdelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb uitsluitend is belast met de specifieke taak van het verstrekken van een financiële toelage. Gelet op dit samenstel van wettelijke bepalingen is, anders dan de rechtbank veronderstelt, geen sprake van algemene, jegens vreemdelingen die niet in de noodzakelijke voorwaarden van bestaan kunnen voorzien op het COa rustende zorgtaken, die er toe kunnen leiden dat het COa de hem in de Rvb toevertrouwde taken uitvoert met voorbijgaan aan de daaraan gestelde begrenzing dat de desbetreffende vreemdelingen rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder f, g of h van de Vw 2000 hebben. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het COa bij de beoordeling van de aanvragen van de vreemdelingen om verstrekkingen op grond van de Rvb de aan hem opgedragen zorgtaken te beperkt heeft uitgevoerd en dat op grond hiervan de besluiten van 7, 14 en 16 maart 2007 onzorgvuldig zijn voorbereid en een deugdelijke motivering ontberen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen