ABRvS 29 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD1185
Ac-procedure / aanvang 48-uurstermijn / op de in te dienen asielaanvraag gericht onderzoek / gehoor ter vaststelling identiteit en uitzetting Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 november 2007 in zaak nr. 200706730/1; www.raadvanstate.nl), vormt een gehoor dat gericht is op de nadere vaststelling van de identiteit en de uitzetting van een vreemdeling een uitzettingshandeling. De bevoegdheid om zodanige handeling te verrichten vindt haar grondslag in voormeld artikel 63, tweede lid, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 6.1 van het Vb 2000. Het gehoor van 15 februari 2008 heeft twee dagen na de inbewaringstelling van de vreemdeling plaatsgevonden en is afgenomen door ambtenaren van de KMar, die ingevolge artikel 6.1 van het VV 2000, gelezen in samenhang met artikel 47, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, bevoegd zijn alle voor de uitzetting benodigde handelingen te verrichten. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond om aan te nemen dat dit gehoor niet heeft plaatsgevonden met het oog op de vaststelling van de identiteit van de vreemdeling en diens uitzetting. Dat de vreemdeling tijdens het gehoor over zijn asielmotieven heeft verklaard, noopt, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, niet tot het oordeel dat met dit gehoor reeds enig op de in te dienen asielaanvraag gericht onderzoek heeft plaatsgevonden, nu niet aannemelijk is geworden dat deze verklaringen zijn afgelegd naar aanleiding van specifiek daartoe door de ambtenaren van de KMar gestelde vragen. De voorzieningenrechter heeft, gelet op het vorenstaande, ten onrechte overwogen dat met het gehoor van 15 februari 2008 de 48-uurstermijn is aangevangen.
De uitspraak op rechtspraak.nl