ABRvS 2 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC9104
Vreemdelingenbewaring / vreemdelingen van zestien tot achttien jaar / termijn plaatsing in jeugdinrichting Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 februari 2003 in zaak nr. 200300583/1; JV 2003/161), eisen artikel 2, eerste lid, en artikel 9 van de Bjj in beginsel dat vreemdelingen van zestien tot achttien jaar, aan wie de maatregel van bewaring wordt opgelegd, in een jeugdinrichting worden geplaatst. Zoals de Afdeling evenzeer, in aansluiting hierop, eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 augustus 2004 in zaak nr. 200405007/1; afschrift ter voorlichting van partijen aanhecht), is er evenwel geen grond voor het oordeel dat zodanige vreemdelingen niet bij aanvang van de bewaring gedurende enige tijd in een politiecel kunnen worden geplaatst. In het geval een jeugdige vreemdeling bij aanvang van de bewaring in een politiecel verblijft, dient, gelet op het gevoerde beleid, zoals vermeld in paragraaf A5/1.5 (thans: A6/1.5), onder c, van de Vc 2000, dat bij gebreke van specifiek beleid ten aanzien van zestien- tot achttienjarigen van overeenkomstige toepassing wordt geacht, uiterlijk binnen vier dagen plaatsing in een jeugdinrichting te worden gerealiseerd. Het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de Bjj laat toe dat onder die omstandigheden een persoon in de leeftijd van zestien tot achttien jaar voor een langere periode, te weten maximaal tien dagen, in een politiecel kan verblijven. In hoger beroep is niet langer in geschil dat de vreemdeling ten tijde van de inbewaringstelling de leeftijd van zestien jaar had. De tenuitvoerlegging van de bewaring heeft vanaf 8 december 2007 plaatsgevonden in een politiecel en is vanaf 14 december 2007 in een huis van bewaring en vervolgens vanaf 18 december 2007 in een jeugdinrichting voortgezet. De enkele stelling van de staatssecretaris in hoger beroep dat de zogenaamde selectiefunctionaris heeft geoordeeld dat er niet eerder plaats was in een jeugdinrichting kan bij gebreke van enige onderbouwing van die stelling niet leiden tot het oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 16a, eerste lid, van de Bjj, dat voor jeugdigen van zestien jaar en ouder onder die omstandigheden een verblijf aldaar van maximaal tien dagen toelaat. Reeds hierom heeft de rechtbank terecht overwogen dat, gelet op voormelde uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2004, sprake was van een termijnoverschrijding en dat de tenuitvoerlegging van de maatregel om die reden onrechtmatig was.
De uitspraak op rechtspraak.nl