ABRvS 19 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC8395
Artikel 3, tweede lid, en artikel 15, eerste lid, van Verordening 343/2003 / onverplichte behandeling van het asielverzoek van gezinsleden / humanitaire redenen / terughoudende toetsing De uitoefening van de bevoegdheid die is neergelegd in artikel 3, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid, van de Verordening, is, behoudens de vereiste instemming van de betrokkenen, aan de staatssecretaris overgelaten. Volgens de paragrafen C3/2.3.6.1 en C3/2.3.6.3 van de Vc 2000 pleegt de staatssecretaris van deze bevoegdheid slechts terughoudend gebruik te maken. Het is aan de staatssecretaris om te beoordelen of in het geval van de vreemdeling sprake is van een zodanig zeer bijzonder samenstel van factoren waardoor het behandelen van haar asielverzoek in de rede ligt. De rechter zal die beoordeling terughoudend dienen te toetsen. Deze terughoudende toetsing laat onverlet dat de rechter de besluitvorming die tot het oordeel van de staatssecretaris heeft geleid, moet toetsen aan de eisen die het recht daaraan stelt, met name wat betreft de zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering, maar staat eraan in de weg dat de rechter bij die toetsing zijn eigen oordeel in de plaats stelt van dat van de staatssecretaris. Door te overwegen als hij heeft gedaan, waarbij de voorzieningenrechter zijn eigen oordeel over het gewicht van de door de vreemdeling aangevoerde humanitaire aspecten heeft gegeven, heeft de voorzieningenrechter dit niet onderkend. De grief slaagt.
De uitspraak op rechtspraak.nl