ABRvS 21 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3228

Griekenland / Dublinverordening / interstatelijk vertrouwensbeginsel / concrete aanwijzingen / beroep op Britse uitspraak De vreemdeling heeft voorts gewezen op een uitspraak van het Britse High Court of Justice van 2 juli 2007 in zaak nr. CO/8303/2005 en betoogt dat de rechter in die uitspraak wijst op de eigen verantwoordelijkheid van de Britse autoriteiten die uit artikel 3 EVRM voortvloeit. Die verantwoordelijkheid rust ook op de Nederlandse autoriteiten. Daarom kan bij overdracht in het kader van de Verordening niet worden volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aldus de vreemdeling. Anders dan waar de vreemdeling kennelijk vanuit gaat, heeft de staatssecretaris blijkens het besluit van 16 mei 2007, bij beantwoording van de vraag of de vreemdeling in het kader van de Verordening kan worden overgedragen aan Griekenland, niet slechts volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maar beoordeeld of er concrete aanwijzingen bestaan dat dat land na overdracht van de vreemdeling zijn verplichtingen voortvloeiend uit onder meer het EVRM jegens hem niet zal nakomen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat er geen grond is voor het oordeel dat de staatssecretaris bij die beoordeling tekort is geschoten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen