ABRvS 4 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC2487

Ongewenstverklaring / tweede asielaanvraag / rechtmatig verblijf / aanvraag opheffing van de ongewenstverklaring / aard en ernst van het gepleegde misdrijf / 3 EVRM De vreemdeling is bij besluit van 25 maart 2005 krachtens artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ongewenst verklaard. Op 30 mei 2006 heeft de vreemdeling een tweede asielaanvraag ingediend. Vaststaat dat de vreemdeling zowel ten tijde van de ongewenstverklaring als ten tijde van het besluit van 11 oktober 2006 geen rechtmatig verblijf als bedoeld in voormeld artikelonderdeel had. Nu aan dit wettelijk vereiste is voldaan, was in zoverre, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen sprake van een bevoegdheidsgebrek. De omstandigheid dat nog niet was beslist op de tweede asielaanvraag van de vreemdeling kan daarin geen verandering brengen. [..] De minister heeft zich in het besluit van 11 oktober 2006, door te verwijzen naar het besluit van 3 mei 2006, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling aan het hiervoor vermelde paragraaf B1/2.2.4.5 van de Vc 2000, geen aanspraak op opheffing van de ongewenstverklaring kon ontlenen en daarbij het door de vreemdeling ingeroepen artikel 3 van het EVRM uitdrukkelijk betrokken. In aanmerking genomen dat de minister de vreemdeling niet is gevolgd in zijn stelling dat hij bij terugkeer in het land van herkomst een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien nader in te gaan op de aard en ernst van het door de vreemdeling gepleegde misdrijf. Onder die omstandigheden heeft de minister, anders dan de rechtbank heeft overwogen, door evenbedoeld aspect buiten beschouwing te laten het besluit van 11 oktober 2006 niet ontoereikend gemotiveerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen