ABRvS 17 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BC1588

Vreemdelingenbewaring / asielaanvraag / uitzettingshandelingen / voortvarendheid / aanpassing ten opzichte van 200707507/1 Dat appellant te kennen heeft gegeven dat hij een asielaanvraag wil indienen, doet niet af aan de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris om het onderzoek nodig voor de uitzetting zo spoedig mogelijk te starten, met dien verstande dat uitzettingshandelingen waarbij contact moet worden gelegd met de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst, in beginsel achterwege dienen te blijven. Daarom kon van de staatssecretaris worden verlangd dat hij appellant zo spoedig mogelijk nadat deze de wil daartoe kenbaar had gemaakt, in de gelegenheid had gesteld een asielaanvraag in te dienen. Nu is gebleken dat appellant voorafgaand aan de inbewaringstelling op 10 oktober 2007 uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen, doch de staatssecretaris hem daartoe eerst op 2 november 2007 daadwerkelijk in de gelegenheid zou stellen en, in afwachting daarvan, ten tijde van de behandeling ter zitting van de rechtbank op 26 oktober 2007 geen uitzettingshandelingen had verricht, is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris met voldoende voortvarendheid aan de uitzetting van appellant heeft gewerkt. De grieven slagen. [..] Nu appellant reeds voorafgaand aan de inbewaringstelling te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen, doch de staatssecretaris vervolgens geen enkele actie heeft ondernomen om de duur van de bewaring beperkt te houden en evenmin is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de voortduring van de bewaring niettemin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten, moet de opgelegde maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig worden geoordeeld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen