ABRvS 13 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BC1252
Dublinverordening / Griekenland / minderjarig gezinslid / geboorte kind Ingevolge artikel 4, derde lid, van de Verordening is voor de toepassing van deze verordening de situatie van de minderjarige die de asielzoeker vergezelt en onder de in artikel 2, onder i), geformuleerde definitie van gezinslid valt, onlosmakelijk verbonden met de situatie van diens ouder of voogd; deze valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van die ouder of voogd, ook al is de minderjarige zelf geen asielzoeker. Kinderen die na de aankomst van de asielzoeker op het grondgebied van de lidstaat zijn geboren, krijgen dezelfde behandeling als de asielzoeker, zonder dat een nieuwe procedure behoeft te worden ingeleid. Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. Ingevolge het tweede lid wordt alleen rekening gehouden met feiten en omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, indien deze voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33, relevant kunnen zijn. De geboorte van een kind van de desbetreffende asielzoeker kan weliswaar op zichzelf worden aangemerkt als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000, doch gelet op artikel 4, derde lid, laatste volzin, van de Verordening is op voorhand uitgesloten dat de stelling van de vreemdelingen dat zij inmiddels een kind hebben gekregen kan afdoen aan de besluiten van 24 mei 2007.
De uitspraak op rechtspraak.nl