ABRvS 7 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BC1068

Vreemdelingenbewaring / asielaanvraag / uitzettingshandelingen / voortvarendheid Dat appellant te kennen heeft gegeven dat hij een asielaanvraag wil indienen, doet niet af aan de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris om het onderzoek naar een eventuele gedwongen uitzetting zo spoedig mogelijk te starten, met dien verstande dat uitzettingshandelingen, waarbij contact moet worden gelegd met de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst, achterwege dienen te blijven. Daarom kan tevens van de staatssecretaris worden verlangd dat hij appellant zo spoedig als mogelijk in de gelegenheid stelt een asielaanvraag in te dienen. Nu is gebleken dat appellant voorafgaande aan de inbewaringstelling te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen, doch de staatssecretaris hem daartoe eerst op 17 oktober 2007 in de gelegenheid wilde stellen en in afwachting daarvan in het geheel geen uitzettingshandelingen heeft verricht en zodanige handelingen tot het op die aanvraag te nemen besluit ook niet zou verrichten, is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris met voldoende voortvarendheid aan de uitzetting van appellant heeft gewerkt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen