ABRvS 23 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB9395
Nova / feiten en omstandigheden Aangezien de voorzieningenrechter de bevoegdheid om met de door appellant gestelde feiten en omstandigheden rekening te houden slechts aan artikel 83, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 kon ontlenen, moet het ervoor worden gehouden dat hij heeft beoordeeld of die bepaling daarop kon worden toegepast. In het licht van hetgeen in artikel 3, tweede lid, van de verordening [(EG) nr. 343/2003] is bepaald, heeft de voorzieningenrechter niet onderkend dat de door appellant gestelde feiten en omstandigheden niet op voorhand iedere relevantie als bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Vw 2000 missen. In verband hiermee heeft de voorzieningenrechter ook ten onrechte niet uitdrukkelijk een antwoord gegeven op de vraag of die gestelde feiten en omstandigheden kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000. Aangezien deze vraag een ambtshalve en zelfstandige beoordeling door de voorzieningenrechter behoeft, heeft hij in elk geval niet kunnen volstaan met te overwegen dat niet is betwist dat het gezinsleven van appellant in Nederland is ontstaan. De voorzieningenrechter had appellant daarentegen in de gelegenheid moeten stellen om de door hem gestelde feiten en omstandigheden te staven en had vervolgens, indien appellant daarin zou zijn geslaagd, de staatssecretaris op de voet van artikel 83, derde lid, van de Vw 2000 dienen te verzoeken om schriftelijk te laten weten of de ingeroepen feiten en omstandigheden aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl