ABRvS 16 augustus 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB2368
Associatiebesluit 1/80 / legale arbeid / vrije toegang tot de arbeidsmarkt / verblijfsrecht Zelfs indien appellant wordt gevolgd in zijn stelling dat hij van 9 april 2001 tot 9 april 2002 legale arbeid heeft verricht, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van besluit nr. 1/80, de duur van zijn arbeidscontract bij A.B.T. vervolgens met een jaar is verlengd en hij tot op heden zijn werkzaamheden bij verschillende werkgevers heeft voortgezet, brengt dit, gelet op deze jurisprudentie van het Hof, niet met zich dat de gevraagde vergunning dient te worden verleend. Niet in geschil is immers dat appellant vóór het einde van de in artikel 6, eerste lid, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 genoemde periode van drie jaar verscheidene malen van werkgever is veranderd. Uit de stukken blijkt niet dat appellant gedurende de periode 4 juni 2003 tot en met 9 april 2004, op welke datum vorenbedoelde periode van drie jaar is geëindigd, zijn werkzaamheden in overeenstemming met de ter zake geldende wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften heeft verricht op grond van een tewerkstellingsvergunning. Evenmin is uit de stukken gebleken dat nadien voor de door appellant te verrichten werkzaamheden een tewerkstellingsvergunning is aangevraagd en verleend. Gelet hierop is geen sprake van drie jaar legale arbeid, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80, en is van een vrije toegang tot de arbeidsmarkt en daarmee van aanspraak op een verblijfsrecht, als door appellant betoogd, geen sprake. Grief 1 faalt. Voor zover appellant in grief 2 betoogt dat hij aan artikel 6 van besluit nr. 1/80 een rechtstreeks werkend recht op voortgezet verblijf kan ontlenen en hem daarom het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning niet kan worden tegengeworpen, faalt deze grief, gelet op hetgeen in 2.4.1. is overwogen, evenzeer.
De uitspraak op rechtspraak.nl