ABRvS 31 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB1457
Voornemenprocedure / zorgvuldigheidsbeginsel / toezenden voornemen aan gemachtigde Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 oktober 2002 in zaak no. 200204386/1; JV 2002/436) moet de mogelijkheid voor de vreemdeling om een zienswijze naar voren te brengen worden aangemerkt als een essentieel onderdeel van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het besluit op aanvraag. De rechtbank houdt het er voor dat appellant zich bij zijn aanvraag door een gemachtigde heeft laten bijstaan. In hoger beroep is dit niet bestreden, zodat daar inderdaad van moet worden uitgegaan. Nu appellant door een gemachtigde, als bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt bijgestaan, brengt het zorgvuldigheidsbeginsel mee dat de minister het voornemen tevens aan de gemachtigde had moeten toezenden. Niet in geschil is dat dit niet is gebeurd. De gemachtigde van appellant is daardoor niet in de gelegenheid gesteld de zienswijze naar voren te brengen. De omstandigheid dat het voornemen wel aan appellant in persoon is uitgereikt, maakt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet anders, omdat appellant er van uit mocht gaan dat zijn gemachtigde een kopie van het voornemen zou ontvangen en daarop zou reageren. De grief slaagt.
De uitspraak op rechtspraak.nl