ABRvS 12 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB1412

Vrijheidsontnemende maatregel / geen beoordeling over de rechtmatigheid van de toegangsweigering In eerste aanleg is onbestreden gebleven dat de vreemdeling, voordat haar een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, op 29 april 2007 ingevolge artikel 3 van de Vw 2000 de toegang tot Nederland is geweigerd. Het door de vreemdeling voor het eerst in haar reactie op het hoger-beroepschrift ingenomen standpunt, dat haar de toegang niet is geweigerd, behoeft reeds daarom geen bespreking. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 september 2001 in zaak no. 200103358/1; AB 2001, 366), verdraagt het zich niet met het stelsel van de wet dat de rechter die over de vrijheidsontnemende maatregel oordeelt, zich daarbij tevens uitspreekt over de rechtmatigheid van de toegangsweigering. Eerst indien de toegangsweigering in de daartoe voorziene procedure onrechtmatig is gebleken, kan de rechter, die over de vrijheidsontnemende maatregel heeft te oordelen, zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van die maatregel. Niet gebleken is dat de vreemdeling ook tegen de weigering haar toegang te verlenen een procedure had aangespannen en die weigering in dat kader onrechtmatig was bevonden. De toegangsweigering gold derhalve als een gegeven. Artikel 13, derde lid, van de Schengengrenscode ziet uitsluitend op de rechtsbescherming die een vreemdeling toekomt indien hem de toegang is geweigerd en heeft, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet mede betrekking op een aansluitend, op de voet van artikel 6 van de Vw 2000, opgelegde vrijheidsontnemende maatregel. Door te beoordelen of, in lijn met deze bepaling, bij de toegangsweigering van de vreemdeling schriftelijke informatie is verstrekt over de hierin genoemde contactpunten, is de rechtbank dan ook ten onrechte getreden in een beoordeling van de rechtmatigheid van de toegangsweigering. De grief slaagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen