ABRvS 13 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB1361

Mvv-procedure / middelen van bestaan / onderscheiden vereisten / combinatie van inkomstenbronnen De wetgever heeft in voormeld artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, ten aanzien van middelen van bestaan onderscheid gemaakt tussen de zelfstandigheid, de duurzaamheid en de hoogte ervan. Het vereiste van zelfstandigheid heeft, mede gelet op het bepaalde in voormeld artikel 3.73 van het Vb 2000, betrekking op de bron waaruit die middelen worden verworven. Het vereiste van duurzaamheid heeft, mede gelet op het bepaalde in voormeld artikel 3.75 van het Vb 2000, betrekking op de beschikbaarheid van die middelen gedurende een vastgestelde periode. Daarnaast is vereist dat de middelen van bestaan, mede gelet op het bepaalde in voormeld artikel 3.74 van het Vb 2000, van voldoende hoogte zijn. Uit het voorgaande volgt dat de duurzaamheid van de middelen van bestaan dient te worden onderscheiden van de hoogte ervan, nu dit twee onderscheiden vereisten betreft. Door te overwegen dat de inkomsten uit arbeid in loondienst van referent, gelet op artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000, niet duurzaam zijn, omdat hij niet gedurende zijn ononderbroken arbeidsverleden van drie jaar voortdurend een inkomen uit arbeid heeft verworven dat ten minste gelijk is aan 120 procent van het minimumloon, heeft de minister het vorenstaande niet onderkend. In voormeld artikel 3.74, aanhef en onder d, van het Vb 2000, is bepaald dat de middelen van bestaan in het geval van gezinsvorming voldoende zijn indien het netto inkomen gelijk is aan 120 procent van het minimumloon. Dit is een objectieve norm, die van toepassing is op alle bronnen van inkomsten. Anders dan de minister betoogt, verzet voormeld artikel zich niet tegen een combinatie van gelijktijdig uit verschillende bronnen genoten inkomsten, mits die ieder voor zich duurzaam zijn, en is evenmin gebleken van andere wettelijke bepalingen die aan een dergelijke combinatie van inkomstenbronnen in de weg staan. Door zich in dit verband op het standpunt te stellen dat volgens paragraaf B1/2.2.3.2 van de Vc 2000 uitsluitend inkomsten uit arbeid in loondienst gedurende de driejaarsperiode worden meegeteld, heeft de minister tevens niet onderkend dat deze paragraaf enkel ziet op de vaststelling van de duurzaamheid van de inkomsten uit arbeid in loondienst en hieruit derhalve geenszins volgt dat niet met een combinatie van gelijktijdige inkomstenbronnen kan worden voldaan aan het vereiste dat de middelen van bestaan van voldoende hoogte zijn. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, nu in het geval van referent de combinatie van inkomsten uit arbeid in loondienst en inkomsten uit arbeid als zelfstandige mogelijk duurzaam voldoende middelen heeft gegenereerd en thans nog genereert, de minister zich niet op basis van de gebezigde motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aan het middelenvereiste wordt voldaan. De grief faalt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen