ABRvS 5 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA9878
Ongewenstverklaring / betekenis tijdsverloop strafrechtelijke veroordeling Voor zover de vreemdeling, naar hij onder meer heeft gesteld, na de hiervoor bedoelde misdrijven geen andere misdrijven meer heeft gepleegd en feitelijke invulling aan het gezinsleven met zijn partner en kinderen heeft gegeven, heeft dat mede betekenis voor de belangenafweging, bedoeld in onderdeel B1/2.2.4.4 van de Vc 2000. Dit laat onverlet dat het tijdsverloop sinds deze misdrijven op zichzelf niet met zich kan brengen dat de ongewenstverklaring voor onrechtmatig moet worden gehouden. Anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat naarmate meer tijd is verstreken sinds het tijdstip waarop een strafrechtelijke veroordeling onherroepelijk is geworden, hogere eisen aan de motivering van een ongewenstverklaring moeten worden gesteld. Gelet hierop, heeft de minister aan het tijdsverloop, dat buiten de overeenkomstige toepassing van artikel 6.6, eerste lid, van het Vb 2000 geen zelfstandige betekenis heeft, geen uitdrukkelijke overweging behoeven te wijden. Dat brengt met zich dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat, nu uit het besluit van 7 december 2006 niet blijkt dat de minister dat tijdsverloop in de belangenafweging heeft betrokken, de minister dat besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl