ABRvS 6 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7789
Beslissing COA ten tijde nog geen besluit op aanvraag vaststelling situatie analoog aan art. 64 Vw 2000 / zorgvuldigheid Blijkens de toelichting op artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, van de Rva 2005 en artikel 4, vierde lid, van de Rva 2005 (ten tijde van belang artikel 4, derde lid, van de Rva 2005) ontstaat eerst aanspraak op opvangvoorzieningen nadat de minister heeft vastgesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000. De vreemdeling heeft op 24 maart 2006 een aanvraag bij de minister ingediend om vast te stellen dat sprake is van een situatie analoog aan artikel 64 van de Vw 2000 en op 30 maart 2006 het COA verzocht om voortzetting van de verstrekkingen. De omstandigheid dat de minister ten tijde van het besluit van het COA van 13 april 2006 nog geen besluit op evenbedoelde aanvraag had genomen, leidt, gelet op het in de Rva 2005 neergelegde stelsel, niet tot de conclusie dat het COA dit besluit had moeten afwachten of bespoedigen, dan wel zelf in de beoordeling van de minister had moeten treden. Het staat de vreemdeling vrij opnieuw een aanvraag om voortzetting van de verstrekkingen in te dienen zodra de minister (thans: de Staatssecretaris van Justitie) een besluit heeft genomen. Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het bij haar bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl